maandag 10 september 2012

'Over grenzen', thema van het 66e Jaarboek CBG

Met het zesenzestigste Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie getiteld Over grenzen sluiten het CBG aan bij het dertigste Internationaal Congres voor Genealogische en Heraldische Wetenschappen, dat van 24 tot 28 september 2012 in Maastricht wordt gehouden. Het congres en het Jaarboek hebben beiden als thema ‘grenzen en grensoverschrijdingen’. Een wijds thema, dat dan ook door alle partijen in de meest brede zin is opgepakt. Je zou kunnen stellen dat het overschrijden van grenzen door personen – in zowel geografische als overdrachtelijke zin – het begin vormt van iedere familiegeschiedenis.

Reizen en grenzen oversteken was voor studenten in de Middeleeuwen en de zestiende en zeventiende eeuw een doodnormale zaak, zo blijkt uit de artikelen van Willem Frijhoff en Martine Zoeteman. Frijhoff doorzocht de inschrijvingsboeken van de grootste universiteitssteden in Europa op namen van Zutphense studenten. Al in de late dertiende eeuw waren die studenten te vinden op grote afstand van huis, zoals in Bologna en Parijs. ‘Grens’ is in deze vroege periode trouwens een relatief begrip: voor de meeste mensen begon de grens bij de rand van het dorp of de stad waar men woonde.
Zoeteman laat vanuit de geschiedenis van de Leidse universiteit en haar diverse studentenbevolking zien wat studenten ertoe bracht naar bepaalde universiteiten te gaan. (Familie)traditie speelde hierin een rol, de roem van een bepaalde hoogleraar, de specialisatie van een universiteit, maar ook de religieuze perikelen van de tijd, oorlogen en overheden konden richtinggevend zijn. Zij geeft een voorbeeld van een buitenlandse student die zich in Nederland vestigde en hier een gezin stichtte. In de bestudering van familiegeschiedenis is het de gewoonte om onderzoek te doen aan de hand van geschreven bronnen en (overgeleverde) verhalen.

Voorwerpen kunnen echter ook inzicht geven in het maatschappelijk functioneren van mensen in een bepaalde tijd op een bepaalde plek. Caroline Drieënhuizen neemt ons mee naar het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw, waar drie broers Quarles van Ufford op niet altijd even zachtzinnige wijze ‘souvenirs’ verwierven. Eenmaal in Nederland veranderden die meegebrachte voorwerpen van objecten met een eigen etnische achtergrond in getuigenissen van de geschiedenis, de identiteit en de status van de familie.
Het artikel van Jochem Kroes gaat toevalligerwijs ook over drie broers en over fraaie voorwerpen. In het midden van de zestiende eeuw vestigden de drie broers Grill uit Augsburg zich als goud- en zilversmeden in Amsterdam. Ze ontwikkelden zich tot vooraanstaande burgers van de Republiek. De oudste van de broers ging naar Den Haag, de middelste vertrok naar Stockholm in Zweden en de jongste bleef in Amsterdam. De Zweedse tak van de familie verkreeg zijn rijkdom grotendeels door de Aziatische handel op China: booming business in de achttiende eeuw. Wie het zich kon veroorloven bestelde een eigen servies: voor het mooi, als geschenk en om de eigen rijkdom te tonen. Voor de familie Grill werden er zo dertien wapenserviezen vervaardigd – de grootste serviezen bevatten meer dan vierhonderd onderdelen.

In de vroege zeventiende eeuw begon de in Amsterdam geboren Andries Dionijsz Winius zijn carrière als handelaar in graan en later ijzerproducent, in Rusland. In 1634 vestigde hij zich voorgoed in Moskou en in 1648 liet hij zich ook naturaliseren. Zijn zoon Andrej Andrejevitsj had een opmerkelijke talenkennis. Hij sprak Russisch, Nederlands en Duits en kon Latijn lezen. Als kanselarijsecretaris werd hij belast met de vertaling van buitenlandse kranten en berichtgeving ten dienste van het hof. Tijdens het bezoek van een Hollandse handelsdelegatie, waarbij hij als tolk van de tsaar fungeerde, ontmoette hij zijn verre familielid Nicolaas Witsen, reiziger, verzamelaar en later meermaals burgemeester van Amsterdam. Igor Wladimiroff beschrijft hoe zich tussen beide ‘neven’ een levenslange vriendschap en correspondentie ontwikkelde, waarin beider interesse in kunst, geografie en cartografie een grote rol speelde. De basis van alle genealogisch onderzoek ligt in het gebruik van namen.

Leendert Brouwer beschrijft de omgang met buitenlandse familienamen in Nederland; hoe ontwikkelden die namen zich, bleven ze herkenbaar als niet-Nederlands? Uit de artikelen van Jean Jacques Vrij en Christel Monsanto blijkt hoezeer de familienamen uit zowel Suriname als de Antillen op uiteenlopende manieren een weerspiegeling vormen van het koloniale verleden. Opvallend genoeg keerden namen die in Nederland al waren verdwenen, via creoolse Surinamers en Antillianen na de jaren 1970 weer terug naar Nederland. Kees Kuiken beschrijft de verwarring die kan ontstaan bij het omzetten van een Chinese naam naar het Nederlands, én vice-versa. Ron Habiboe ten slotte ontrafelt de achtergronden van de namen van de vele Molukkers die zich vanaf 1951 noodgedwongen in Nederland vestigden.

Het oversteken van grenzen gebeurde lang niet altijd vrijwillig. Zo ook bij de honderdduizenden Afrikanen die werden ontvoerd om als slaaf te werken op plantages, ondermeer in Suriname. Sommigen verzetten zich tegen deze wrede vrijheidsberoving en vluchtten de oerwouden in, om van daaruit hun vrijheid te bevechten en hun eigen leefgemeenschappen te stichten: de Marrons. André Pakosie vertelt hoe zij zich organiseerden, hoe zich een eigen taal ontwikkelde om communicatie tussen mensen uit heel verschillende delen van Afrika mogelijk te maken, en welke belangrijke rol Afrika, het land van herkomst, in de collectieve herinnering en in het dagelijks leven bleef spelen.

 Een andere soort van dwang speelt bij de arbeidsmigranten: mensen die naar Nederland komen omdat ze in hun eigen land geen toekomstperspectief meer hebben. Zo verhuisde Iacopo Lucchesi in 1929 vanuit Italië naar Eindhoven, waar hij eerst de kost probeerde te verdienen als beeldenmaker. In 1934 opende hij een ijsfabriekje, van waaruit het ijs met karretjes werd uitgevent. Dat fabriekje van één man is in de loop der jaren uitgegroeid tot een ware ijsdynastie. Documentairemaker Daniela Tasca beschrijft hoe ze te werk is gegaan bij het maken van haar documentaire ‘IJszusters’, waarvoor zij de familiegeschiedenis trachtte te reconstrueren door middel van de herinneringen en het leven van de drie dochters Lucchesi, tweede van de vier generaties van deze Toscaanse ijsfamilie in Eindhoven.

Omgekeerd komen in het artikel van Martijn Spruit Nederlanders in Italië aan bod. Toen de strijd om de Italiaanse eenwording op haar einde liep, verschenen er in 1866 artikelen in het streng katholieke Weekblad van Tilburg, die de ervaringen van een vrijwilliger in het pauselijke leger – een zogeheten zouaaf – beschrijven. De auteur, Levinus Vliegendehond, vertelt veel over het dagelijks leven van de zouaven in de gevechtskampen. Enkele jaren later vocht de zouaaf Ignace Wils in de Frans-Duitse oorlog. Zijn biografie, die pas in 1930 werd gepubliceerd, toont het leven van een officier van hoge komaf. En dat blijkt er heel anders uit te zien.

Joost Welten ten slotte beschrijft een andere vorm van het overtreden van grenzen: overspel. In het vroeg-negentiende-eeuwse Maastricht speelde zich een gepassioneerde liefdesaffaire af tussen de echtgenote van een Franse officier – gevangen in een gearrangeerd en ongelukkig huwelijk – en een Nederlandse apotheker. Deze grensoverschrijding werd door de laatste betaald met de dood.

Het Jaarboek CBG wordt gratis toegezonden aan de Vrienden van het CBG. Jaarboeken zijn ook los verkrijgbaar voor € 25,00 incl. verzendkosten (Vrienden € 20,00) en kunnen per email worden besteld.
Vriend worden van het CBG kost € 40,-. Daarvoor ontvangt u naast het Jaarboek ook vier keer per jaar het tijdschrift Genealogie en geniet u nog een aantal andere voordelen. Zie de website.